Ding dong. De bel gaat. Kees doet open en begroet Jan en Nienke. Leuk dat ze ook konden komen. Het was nog even de vraag met de drukte bij hun op het werk en het gezin of dat wel zou lukken. Jan en Nienke lachen vrolijk naar Kees, feliciteren hem en geven hem het cadeautje dat ze even snel gehaald hebben. Ze lopen de woonkamer in en begroeten daar de overige gasten. “Hey, wat leuk dat jij er ook bent, lang niet gezien.” Altijd leuk om even bij te kletsen. “Wil je ook wat drinken?”, vraagt Kees beleefd. “Oh, ja hoor, doe maar een koffie”, antwoord Nienke zonder zich naar hem om te keren. Nou ja, die is gewoon vrolijk aan het bijpraten met oude bekenden, dat kan hij haar niet kwalijk nemen. En zo regelt hij een koffie voor Nienke, en loopt nog geregeld heen en weer om dingen te regelen voor zijn gasten. Hij is tenslotte gastheer, zoals hoort op zijn eigen feestje. Even een momentje pauze en dus gaat hij op de bank naast Hans en Peter zitten. Hij weet nog hoe Hans hem een maand geleden een rotstreek geflikt heeft, maar om hem daarom nou ineens niet uit te nodigen. Nee, zo is Kees niet. Hij probeert zich wat in het gesprek te mengen, maar geen van beiden lijkt aandacht aan hem te besteden. En zo gaat het eigenlijk overal in de kamer. Vreemd, denkt Kees, ik dacht dat dit mijn feestje was. “Ja
, dat was niet zo netjes van mij. Ik heb er best spijt van”, hoort hij ineens. Hij draait zich om en ziet Hans en Peter nog steeds druk in gesprek zonder hem een blik waardig te keuren. Oh, blijkbaar was dat sorry toch niet voor hem bedoeld. “Leuk feestje, echt fijn geregeld”, hoort hij Petra zeggen, “ook leuk dat er zoveel oude bekenden zijn”. Wanneer dan eindelijk iedereen er is, besluiten ze een verjaardagslied voor Kees te zingen. Even staat hij in het middelpunt…althans, zo lijkt het. Want na de laatste hiep-hiep-hoera draait iedereen zich weer om en gaat verder met praten en hapjes pakken.
Het is zondag, de kerk vult zich langzaam. Sommige mensen maken een knieling voordat ze de banken in gaan, anderen lopen al druk pratend een bank in. Oh, openinglied. God, komt naar ons toe, Hij is zo geweldig. In gedachten gaan ze verder met de gesprekken die ze twee minuten geleden nog aan het voeren waren. De priester begroet hen, kijkt hen even aan, en maant hen dan om hun schulden te belijden. Terwijl zij allemaal op hun knieën gaan blijft de priester kaarsrecht staan, met aan zijn rechter kant het volksaltaar, en achter hem het Tabernakel. Nou ja, het zal wel makkelijker zijn zo, kan hij gelijk door met het gebed gericht op….ja, op wie eigenlijk? Net als bij het Eucharistisch gebed lijkt hij qua woorden tegen God te praten, maar waarom kijkt hij dan al die mensen in de kerk aan? Ah, communie, ja, nu is het echt even op God gericht: Lam Gods. Iedereen komt naar voren om God te ontvangen. Ze zijn echter nog niet terug op hun plaatsen of ze praten al weer honderduit tegen elkaar. Goh, denkt God, ik dacht dat dit mijn feest was.


