Vervolg op Van katholiek naar katholiek – deel 4: de basics herontdekken, en zoals het nu lijkt tevens het laatste deel.
De basics van het christelijke geloof waren ondertussen deel van m’n dagelijks leven geworden. Het waren dingen die ik in mijn jeugd wel wat geleerd heb, verhalen die ik op zich wel kende, maar die nu pas een beetje op hun plek vielen. Toch was dit slechts het begin.
Ongeveer een half jaar na de eerste keer in Norg kwam ik na een periode van afwezigheid weer bij de studentenparochie in Groningen. Daar maakte ik kennis met jongeren die nieuwsgierig waren naar het katholieke geloof, en die ook probeerden ernaar te leven. Via hen leerde ik meerdere katholieke jongeren kennen met allerlei verschillende achtergronden, maar met een ding in ieder geval gemeenschappelijk: het katholieke geloof aan het ontdekken en te beleven. Ze lieten me kennis maken met een tweeduizend jaar oude Traditie, die z’n wortels heeft in een nog oudere traditie, met het geloof waarin ik opgevoed was, maar die toch ook weer totaal anders was dan dat geloof.
Hoewel ik aan de ene kant me mee liet nemen door de roze wolk waar ik toen op zat, en het allemaal prachtig vond, was er toch een deel van mij nog hard aan het protesteren tegen alles. Want hoewel ik beetje bij beetje leerde over de achtergronden van de Kerkelijke Leer, meende een deel van mij nog steeds dat ze het beter wist. Hetgeen m’n ouders meegegeven hadden – zelf denken, ieder z’n eigen keuzen laten maken, en toch iets van een afkeer van Rome – bleek toch best sterk te zijn, en zorgde af en toe voor een behoorlijke rem. Toch heeft me dit ook veel opgeleverd, door kritisch te kijken naar hetgeen Rome leert. En in tegenstelling tot wat veel mensen zouden verwachten, werd het voor mij steeds meer de waarheid.
Langzaam maar zeker had ik het gevoel thuis te komen, het klopte gewoon. Ik was een katholiek die weer thuis kwam in de Katholieke Kerk.
geren, samen bidden, een uitleg over een Bijbeltekst door de jongerenwerker…dit alles kende ik niet. Als nieuweling werd ik met open armen ontvangen, werd ik opgenomen in de groep, als een zuster zou je kunnen zeggen. Alleen dit al heeft een diepe indruk achter gelaten.
En ja, toen zat ik daar, in de bank. Er was van te voren een inleidend praatje over de Biecht gehouden, en ik zag dat de een na de ander ging biechten. En ik wist het niet, ik wist niet wat ik moest doen. Want ja, wat moest ik zeggen, hoe wist ik wat ik fout had gedaan, en zou ik het wel durven, wat zou de priester wel niet van me denken. Toch ben ik op een of andere manier uit de bank gestapt en ben ik voor het eerste in m’n leven – ik was toen negentien – gaan biechten.
erleed besefte ik dat ik niet steeds dingen uit kon stellen. En zo ben ik lectrice geworden. Als kind had ik al vaker lezingen gedaan in de kerk: bij gezinsvieringen (al hadden we er daar niet echt veel van), na de kinderwoorddienst wanneer we op de ster voor het altaar ons verhaal mochten vertellen en eigenlijk altijd een gebedje deden, en bij mijn Vormsel. De lezing bij dat laatste was – terugkijkend – eigenlijk een best toepasselijke tekst: over de kerk als lichaam met haar vele ledematen.


