“Ben ik mijn broeders hoeder?” – de moeilijkheid van de armenzorg

Een jaar of veertig zou hij zijn, matig verzorgd. Met een alcohollucht die je op afstand ruikt komt hij naar ons toegelopen. Of we ook wat geld hebben voor een treinkaartje naar Leeuwarden, want hij komt nog wat te kort. Na een weigering van onze kant vanwege het vermoeden dat het geld eerder voor nog meer drank dan voor een kaartje gebruikt wordt, komen er dreigementen die er eigenlijk op neerkomen dat we in de hel komen omdat we hem niet helpen. Oh, en nog een cliché-tirade over katholieken, maar daar ga ik het nu niet over hebben.

Geen fijne ontmoeting dus. En eentje die knaagt, of in ieder geval heel hard geknaagd heeft de eerste dag na dit voorval. Want hoewel we mensen zijn en het goede proberen te doen, vroegen we ons toch af hoe we dit beter hadden kunnen doen. Hadden we hem gewoon geld moeten geven? Hadden we hem niet moeten wijzen op zijn overduidelijke alcohollucht? Hadden we gewoon überhaupt niks moeten zeggen?

Een eenduidig antwoord heb ik nog steeds niet, en ik weet ook niet of ik die binnenkort heb of ooit ga krijgen. Enerzijds sta ik er geheel achter geen geld te hebben gegeven. Met de vraag “ben ik mijn broeders hoeder” in mijn achterhoofd, vond ik het niet verantwoord geld te geven dat waarschijnlijk eerder naar het dichtstbijzijnde café of supermarkt zou gaan. Het zou geen echte zorg zijn, maar een simpel op afstand en ook in stand houden van de situatie. Toch geef ik geregeld wel  geld aan daklozen die op straat zitten, maar ook daar knaagt het gevoel of het wel goed terecht zal komen. Anders is het bij de koop van bijvoorbeeld de Riepe, waarvan de verkopers aan bepaalde voorwaarden voldoen, en het geld inderdaad naar een goede plek gaan.

Maar wat had ik dan wel moeten doen. Pas na een uur of twaalf, toen ik na de Stille Omgang weer terug was in Groningen en in m’n bed lag, schoot mij een stuk uit het Evangelie binnen. Vlak na het keert uw andere wang toe, staat ook dat als iemand vraagt een mijl mee te lopen, je twee mijl meeloopt. Naast de uitleg dit te lezen als tegenstelling voor “oog om oog, tand om tand”, heb ik het ook wel eens uitgelegd gezien als juist meer doen dan de ander vraagt, en daardoor juist de ander heel confronterend laten zien waar hij de fout in gaat. In dit concrete geval was het dus misschien handiger geweest mee te lopen naar de automaat en een kaartje voor de trein te kopen, al dan niet alleen het bedrag betalend dat hij nog tekort komt. Grote kans dat hij daar van afgezien had en door de mand zou vallen. En als hij het wel geaccepteerd had, weet je in ieder geval dat het goed terecht komt.

Of dit eerlijk is, of dit wel juist zou zijn, ik weet het niet. Mogen we voorwaarden stellen voor onze hulp? Mogen we ons afvragen of het geld wel goed terecht komt? Moeten we iemand die geld vraagt ook altijd geld vragen, of weigeren we anders Christus, keer op keer? Waar zit hier de grens, als die er al is, tussen naastenliefde, armenzorg, compassie en gezond verstand, eigen verantwoordelijkheid?

Vooralsnog blijf ik in ieder geval maar bidden, zowel voor deze man als voor mezelf. Want ik weet niet wie het uiteindelijk het hardste nodig heeft.

Advertenties

Een gedachte over ““Ben ik mijn broeders hoeder?” – de moeilijkheid van de armenzorg

Voeg uw reactie toe

  1. idd altijd lastig. Eten of iets voor ze betalen is denk ik altijd prima. Iemand die werkte in de opvang, zei dat je “nooit nooit nooit” geld moet geven. Dat was wel in Londen, maar dat zal hier ook wel gelden… maar het blijft lastig, soms…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: