Een oprecht vasten

Vasten in de vorm van minder eten en drinken en minder lekkers is een van de meest bekende onderdelen van de vastenperiode, en ook eentje die vaak zichtbaar is al is dat niet echt de bedoeling. Maar hoeveel eet en drink je nou minder? Wat is goed en wat niet? Wat is te veel en wat is te weinig? En heeft het überhaupt wel zin om je lichamelijk te versterven.

Vragen die enerzijds heel relevant zijn, en aan de andere kant ook niet. Alsof er hiervoor tot in details vastomlijnde voorschriften voor zijn. Enkele richtlijnen zijn er wel, of in ieder geval, die waren er wel, zoals maar één volle maaltijd per dag en de andere twee maaltijden samen niet meer dan de ene volledige maaltijd. Wanneer je echter het lichamelijke vasten gaat zien als iets wat goed genoeg is als er aan deze voorschriften voldaan wordt, dan bestaat het gevaar dat het een doel op zich gaat worden en niet een middel.

Centraal staat in het vasten je losmaken van al het aardse, van alles wat je verwijdert van God en juist mogelijkheden creëren om dichter naar Hem toe te gaan. Hij vraagt een volledige gave van ons “zijn” aan Hem, niet om een klein beetje. Daarom zal ons vasten altijd onvolmaakt zijn, omdat we altijd meer kunnen geven. Geen oprecht versterven, geen oprecht geven zal ooit genoeg zijn.

Dat klinkt ongelooflijk pessimistisch, maar het tegendeel is waar. Het hoeft namelijk niet van de een op de andere dag. Hij vraagt niet het onmogelijke van ons. En daarom zal het vasten voor ieder mens ook verschillend zijn qua invulling. Voor de een is het laten staan van al het lekkers al een opgave van jewelste, terwijl hetzelfde effect bij een ander bereikt wordt door naast de hoofdmaaltijd slechts een enkele boterham te eten. Of dat het ene jaar geen wijn drinken gedurende de vastentijd het offer is dat gebracht wordt aan God, terwijl diezelfde persoon een paar jaar later maar drie maaltijden op een dag neemt met alleen water.

Het moet echter een oprecht streven naar God zijn, een afzien om op te gaan. Het is tevens een groeiproces, waarbij het van belang is om je telkens af te vragen: geef ik nu echt op wat ik op kán, of denk ik stiekem bij mezelf: “ik doe al zoveel, God mag wel blij zijn met mij dat ik dit en dit laat staan.” Het is eerste is eerder realisme dan scrupules en daarmee gezond, het tweede niets meer dan hoogmoed en zal daarom juist het tegenovergestelde bereiken van oprecht vasten.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: